HEBBEN -1

Werkwoord HEBBEN – 10 vragen
1 – Ik en een boek
Ik ___ een Nederlands boek.
A. heb
B. heeft
C. hebben
2 – Jij en een fiets
Jij ___ een nieuwe fiets.
A. hebt
B. heb
C. heeft
3 – Hij en een hond
Ahmed ___ een grote hond.
A. heeft
B. heb
C. hebben
4 – Zij en twee kinderen
Fatima ___ twee kinderen.
A. heeft
B. heb
C. hebben
5 – Wij en les
Wij ___ vandaag Nederlands les.
A. hebben
B. heb
C. heeft
6 – Jullie en tijd
Jullie ___ geen tijd vandaag.
A. hebben
B. heb
C. heeft
7 – Zij en een auto
Ahmed en Noor ___ één auto.
A. hebben
B. heeft
C. heb
8 – U en een afspraak
Meneer, u ___ om tien uur een afspraak.
A. heeft
B. heb
C. hebben
9 – Ik en honger
Ik ___ veel honger na de les.
A. heb
B. heeft
C. hebben
10 – Zij en vakantie
Zij ___ drie weken vakantie in augustus.
A. hebben
B. heb
C. heeft
Score: 0 van 10