Tekst 1 – Hotel Atlas Dit bord hangt in een hotel. Lees eerst de vraag, lees daarna de tekst.
| Hotel Atlas | |
|---|
| kelder | zwembad, sportruimte |
| begane grond | receptie, restaurant |
| verdieping 1 | kamer 1 – 150, bar |
| verdieping 2 | kamer 151 – 260 |
Vraag 1: Leah heeft kamer 179. Waar is dat?
A. Op de begane grond.
B. Op verdieping 1.
C. Op verdieping 2.
Tekst 1 – Hotel Atlas| Hotel Atlas | |
|---|
| kelder | zwembad, sportruimte |
| begane grond | receptie, restaurant |
| verdieping 1 | kamer 1 – 150, bar |
| verdieping 2 | kamer 151 – 260 |
Vraag 2: Tom wil wat drinken in de bar. Waar is de bar?
A. In de kelder.
B. Op de begane grond.
C. Op verdieping 1.
Tekst 2 – Werk en tijden
Ahmed werkt in een winkel. Hij werkt van maandag tot en met vrijdag. Hij begint om 8.00 uur en stopt om 17.00 uur. Hij gaat met de bus naar zijn werk.
Vraag 3: Op welke dagen werkt Ahmed?
A. Op maandag tot en met vrijdag.
B. Alleen in het weekend.
C. Op zaterdag en zondag.
Tekst 2 – Werk en tijden
Ahmed werkt in een winkel. Hij werkt van maandag tot en met vrijdag. Hij begint om 8.00 uur en stopt om 17.00 uur. Hij gaat met de bus naar zijn werk.
Vraag 4: Hoe gaat Ahmed naar zijn werk?
A. Met de auto.
B. Met de bus.
C. Met de fiets.
Tekst 2 – Werk en tijden
Ahmed werkt in een winkel. Hij werkt van maandag tot en met vrijdag. Hij begint om 8.00 uur en stopt om 17.00 uur. Hij gaat met de bus naar zijn werk.
Vraag 5: Hoe laat stopt Ahmed met werken?
A. Om 15.00 uur.
B. Om 16.00 uur.
C. Om 17.00 uur.
Tekst 3 – Wonen
Sara gaat naar Nederland. Zij gaat in een flat in Amsterdam wonen. Zij gaat bij haar familie wonen.
Vraag 6: In wat voor huis gaat Sara wonen?
A. In een huis met tuin.
B. In een flat.
C. In een hotel.
Tekst 3 – Wonen
Sara gaat naar Nederland. Zij gaat in een flat in Amsterdam wonen. Zij gaat bij haar familie wonen.
Vraag 7: Bij wie gaat Sara wonen?
A. Bij vrienden.
B. Alleen.
C. Bij haar familie.
Tekst 3 – Wonen
Sara gaat naar Nederland. Zij gaat in een flat in Amsterdam wonen. Zij gaat bij haar familie wonen.
Vraag 8: In welke plaats gaat Sara wonen?
A. In Rotterdam.
B. In Amsterdam.
C. In Den Haag.
Tekst 4 – Vrije tijd
Youssef kijkt elke dag tv. In het weekend sport hij met zijn vrienden. In zijn vrije tijd leest hij boeken.
Vraag 9: Wat doet Youssef in het weekend?
A. Hij slaapt.
B. Hij sport met zijn vrienden.
C. Hij werkt in de winkel.
Tekst 4 – Vrije tijd
Youssef kijkt elke dag tv. In het weekend sport hij met zijn vrienden. In zijn vrije tijd leest hij boeken.
Vraag 10: Wat doet Youssef in zijn vrije tijd?
A. Hij leest boeken.
B. Hij kookt couscous.
C. Hij gaat naar school.
Tekst 5 – Eten en drinken
Ik drink graag thee. Ik eet ’s ochtends brood. Ik eet ’s avonds rijst met kip.
Vraag 11: Wat drinkt de persoon graag?
A. Koffie.
B. Cola.
C. Thee.
Tekst 5 – Eten en drinken
Ik drink graag thee. Ik eet ’s ochtends brood. Ik eet ’s avonds rijst met kip.
Vraag 12: Wat eet hij ’s ochtends?
A. Brood.
B. Rijst.
C. Soep.
Tekst 5 – Eten en drinken
Ik drink graag thee. Ik eet ’s ochtends brood. Ik eet ’s avonds rijst met kip.
Vraag 13: Wat eet hij ’s avonds?
A. Rijst met kip.
B. Alleen brood.
C. Pizza.
Tekst 6 – Taal en leren
Mouna spreekt Arabisch en een beetje Nederlands. Zij leert Nederlands op school. Haar leraar helpt haar met Nederlands leren.
Vraag 14: Welke talen spreekt Mouna?
A. Alleen Nederlands.
B. Arabisch en een beetje Nederlands.
C. Engels en Nederlands.
Tekst 6 – Taal en leren
Mouna spreekt Arabisch en een beetje Nederlands. Zij leert Nederlands op school. Haar leraar helpt haar met Nederlands leren.
Vraag 15: Waar leert Mouna Nederlands?
A. Op school.
B. In het restaurant.
C. In de winkel.
Tekst 6 – Taal en leren
Mouna spreekt Arabisch en een beetje Nederlands. Zij leert Nederlands op school. Haar leraar helpt haar met Nederlands leren.
Vraag 16: Wie helpt Mouna met Nederlands leren?
A. Haar buurman.
B. Haar leraar.
C. Haar kinderen.