leesvaardigheid – Markt & Bus

leesvaardigheid Interactieve Quiz – Markt & Bus
Mevrouw Jansen wacht samen met mevrouw Bol op de bus naar de stad. Er is vandaag markt in de stad. Elke week gaan mevrouw Jansen en mevrouw Bol samen naar de markt. Wat gaan ze vandaag kopen? Niets. Ze gaan naar de markt, omdat het leuk is. Dat doen ze elke woensdag.

Vraag 1: Op welke dag gaat mevrouw Jansen naar de stad?

A. Zaterdag
B. Woensdag
C. Maandag
D. Donderdag
Mevrouw Jansen wacht samen met mevrouw Bol op de bus naar de stad. Er is vandaag markt in de stad. Elke week gaan mevrouw Jansen en mevrouw Bol samen naar de markt. Wat gaan ze vandaag kopen? Niets. Ze gaan naar de markt, omdat het leuk is. Dat doen ze elke woensdag.

Vraag 2: Hoe gaat mevrouw Jansen naar de stad?

A. Met de auto
B. Met de fiets
C. Met de bus
D. Met de trein
Karim heeft een afspraak bij de dokter om 09.30. Hij staat vroeg op en eet snel ontbijt. Daarna pakt hij zijn jas en gaat naar buiten. Hij loopt tien minuten naar de praktijk.

Vraag 3: Hoe laat heeft Karim een afspraak?

A. 09.00
B. 09.15
C. 09.30
D. 10.30
Sofia werkt in een supermarkt. Ze begint om 08.00 en stopt om 14.00. In de pauze drinkt ze koffie en eet ze een broodje. Vandaag is het druk, want er zijn veel klanten.

Vraag 4: Hoe laat stopt Sofia met werken?

A. 08.00
B. 12.00
C. 14.00
D. 16.00
Jan wil een boek lenen in de bibliotheek. Hij zoekt een rustig boek over reizen. Bij de balie vraagt hij om hulp. De medewerker wijst een plank met reisboeken aan.

Vraag 5: Waar is Jan?

A. In de bibliotheek
B. In de bioscoop
C. Op het station
D. In het ziekenhuis
Amina kookt vanavond pasta. Ze koopt tomaten, kaas en een pak pasta. Thuis snijdt ze de tomaten en zet water op het vuur. Na tien minuten is de pasta klaar.

Vraag 6: Wat kookt Amina vanavond?

A. Soep
B. Rijst
C. Pasta
D. Salade
Pieter heeft zijn sleutel vergeten. Hij kan niet naar binnen. Hij belt zijn buurman, want die heeft een reservesleutel. Na vijf minuten komt de buurman naar beneden.

Vraag 7: Waarom belt Pieter zijn buurman?

A. Hij wil wandelen
B. Hij wil een reservesleutel
C. Hij wil koken
D. Hij wil sporten
Lina gaat met haar kinderen naar het zwembad. Ze nemen handdoeken en zwemkleding mee. In het zwembad kopen ze een drankje. Na het zwemmen gaan ze naar huis.

Vraag 8: Wat nemen Lina en haar kinderen mee?

A. Boeken en pennen
B. Handdoeken en zwemkleding
C. Jassen en laarzen
D. Borden en glazen
Er is een brief van de gemeente voor Tom. In de brief staat dat hij volgende week een afspraak heeft. Hij moet zijn paspoort meenemen. De afspraak is op donderdag om 11.00.

Vraag 9: Wat moet Tom meenemen?

A. Een laptop
B. Een paspoort
C. Een cadeau
D. Een fiets
Noura gaat zaterdag naar haar vriendin. Ze neemt een kleine taart mee. Ze blijven thuis en kijken een film. Om 22.00 gaat Noura weer naar huis.

Vraag 10: Wat neemt Noura mee?

A. Een boek
B. Een jas
C. Een kleine taart
D. Een bloem
Score: 0 van 10