Ananda is in de keuken. Het is bijna avond en haar familie krijgt honger. Zij is aan het koken, want ze maakt eten voor het diner. In de pan kookt ze spaghetti met saus en groente. De keuken ruikt lekker en iedereen heeft zin in dit eten.
Wat maakt Ananda in de keuken?
A. Alleen thee
B. Eten voor het diner / spaghetti
C. Een cake
D. Een broodje kaas
Andres werkt buiten op het land. Hij staat vroeg op en begint al om zes uur. Hij tilt zakken met aardappels en werkt met een schop in de grond. Soms is het warm, soms regent het. Het werk is zwaar en zijn rug doet pijn, maar Andres verdient zo zijn geld.
Hoe is het werk van Andres op het land?
A. Makkelijk
B. Leuk en licht
C. Zwaar
D. Kort
Anisa komt uit school en gaat naar haar kamer. Ze zet haar computer aan en opent haar opdrachten. Ze maakt haar huiswerk op de computer. Ze doet dat bijna altijd thuis, want daar is het rustig. Vaak zit ze een uur achter de computer om haar huiswerk te doen.
Waar doet Anisa meestal haar huiswerk op de computer?
A. Op school
B. Thuis
C. In de bus
D. In het park
Anna voelt zich niet goed en gaat naar de dokter. In de wachtkamer zit ze een tijdje op een stoel. De dokter onderzoekt haar en luistert naar haar longen. Hij zegt dat ze ziek is, maar dat het snel beter wordt. Anna krijgt medicijnen en moet die drie keer per dag innemen.
Wat krijgt Anna van de dokter?
A. Medicijnen
B. Een fiets
C. Een nieuwe jas
D. Een boek
Anna’s huis is te klein. De slaapkamer is heel smal en de keuken heeft weinig ruimte. Ze heeft veel spullen en er is geen plaats. Daarom is ze niet tevreden met haar huis. Ze kijkt vaak naar advertenties voor andere huizen. Anna wil snel verhuizen naar een groter huis.
Wat wil Anna doen omdat haar huis te klein is?
A. Het huis verven
B. Minder spullen kopen
C. Een auto kopen
D. Verhuizen
Arif staat bij de bushalte. Hij kijkt op zijn horloge. De bus had al moeten komen, maar hij is er nog niet. Er staan meer mensen te wachten en iedereen kijkt ongeduldig naar de weg. De bus komt laat vandaag en Arif is bang dat hij te laat op zijn werk komt.
Hoe komt de bus vandaag bij Arif?
A. Laat
B. Altijd te vroeg
C. Nooit
D. Op tijd weg
Arjun woont in een dorp buiten de stad. Elke ochtend staat hij vroeg op en gaat hij naar het station. Hij moet elke dag reizen naar zijn werk. Hij neemt de trein naar de stad, naar Amsterdam, waar zijn kantoor is. De reis naar de stad duurt bijna een uur.
Waar werkt Arjun?
A. In zijn dorp
B. In een ander land
C. In de stad, in Amsterdam
D. Thuis
Arnold is schoonmaker. Hij werkt ’s morgens vroeg, als er nog weinig mensen zijn. Hij maakt de vloeren schoon en leegt de prullenbakken. Hij werkt in een groot kantoor, maar soms ook in een school. Aan het einde van zijn werkdag ziet het kantoor er weer netjes uit.
Waar werkt Arnold als schoonmaker?
A. In een ziekenhuis
B. In een kantoor (en soms een school)
C. In een bakkerij
D. In een fabriek
Ayla moet naar haar werk, maar ze is laat wakker geworden. Ze maakt snel haar ontbijt klaar en eet haar brood en yoghurt heel snel op. Ze kijkt steeds op de klok. Ze heeft haast en heeft geen tijd voor koffie. Daarna pakt ze direct haar tas en rent naar de bus.
Waarom eet Ayla haar ontbijt zo snel op?
A. Ze is niet hongerig
B. Ze wil tv kijken
C. Ze vindt eten niet lekker
D. Ze heeft haast
Aziz loopt elke dag een stuk. Hij vindt lopen gezond en hij wil niet met de auto gaan. ’s Ochtends loopt hij naar zijn werk in het centrum. Onderweg ziet hij veel mensen en winkels. Elke dag loopt Aziz dus naar zijn werk.
Waar loopt Aziz elke dag naartoe?
A. Naar het strand
B. Naar zijn werk
C. Naar de bioscoop
D. Naar het vliegveld