Leesvaardigheid 08

NT2-zinnen-quiz-8

De familie Wang woont in een leuke straat. Er zijn veel bomen en weinig auto’s. Zij wonen naast de markt, waar elke dag kraampjes met groente en fruit staan. Op zaterdag kopen ze daar vaak verse spullen.

Waar woont de familie Wang naast?

A. Naast een fabriek
B. Naast het ziekenhuis
C. Naast de markt
D. Naast de snelweg

De kinderen zitten samen aan een tafel in de klas. Voor hen ligt één groot boek. Ze lezen samen hardop. In het boek staat een verhaal over een meisje dat op reis gaat. De kinderen vinden het verhaal spannend.

Wat staat er in het boek dat de kinderen lezen?

A. Alleen woordenlijsten
B. Een verhaal
C. Foto’s zonder tekst
D. Rekensommen

Het is vier uur. De schooldag is afgelopen. De leerlingen hebben hun tassen gepakt en zijn naar huis gegaan. De stoelen staan op de tafel en de lichten zijn uit. De klas is leeg, iedereen is weg.

Hoe is de klas aan het einde van de dag?

A. Vol met kinderen
B. Heel rommelig
C. Donker maar vol
D. Leeg, iedereen is weg

Vanavond kijkt de familie naar het journaal. De koning is op het nieuws. Hij vertelt over Nederland, over het land en over de mensen die daar wonen. Hij praat over werk, gezondheid en scholen.

Waarover vertelt de koning op het nieuws?

A. Over Nederland, over het land
B. Alleen over het weer in Spanje
C. Over voetbal in Italië
D. Over een recept voor soep

De les begint om 11 uur. Hetty kijkt op de klok en pakt haar jas. Ze wil niet te laat komen. Daarom gaat Hetty nu op tijd naar school, zodat ze rustig kan gaan zitten voordat de les begint.

Wat doet Hetty omdat de les om 11 uur begint?

A. Ze blijft thuis slapen
B. Ze gaat op tijd naar school
C. Ze gaat boodschappen doen
D. Ze gaat op vakantie

De docent zegt dat de les is afgelopen. We hebben een uur lang geluisterd en geschreven. Iedereen stopt met werken en legt de pen neer. We willen nu pauze houden en later naar huis gaan om uit te rusten.

Wat willen de leerlingen doen nu de les afgelopen is?

A. Een nieuwe toets maken
B. Nog twee uur doorwerken
C. Pauze of naar huis
D. Naar de sporthal gaan met de docent

Een man rijdt in zijn auto over een drukke weg. Zijn telefoon gaat en hij neemt op. Hij belt in de auto en kijkt niet goed naar de weg. Dat is gevaarlijk, want er kan snel een ongeluk gebeuren.

Hoe is het als de man in de auto belt?

A. Gevaarlijk
B. Heel gezond
C. Heel rustig
D. Altijd goed

De stoel in de keuken is kapot. Een poot zit los en de stoel wiebelt. Jaimy gaat de stoel maken. Hij pakt een schroevendraaier en schroeft de poot weer vast, zodat de stoel stevig wordt.

Wat gaat Jaimy doen met de kapotte stoel?

A. De stoel weggooien zonder te kijken
B. Op de stoel tekenen
C. De stoel nog meer kapot maken
D. De stoel maken / repareren

Hanna stapt in de trein naar de stad. Alle stoelen zijn al bezet. De trein is vol met mensen. Hanna vindt geen plaats om te zitten en moet daarom staan tot ze bij haar station is.

Wat moet Hanna doen omdat de trein vol is?

A. Liggen
B. Staan
C. Uit de trein gaan
D. In de stoel van de machinist zitten

De zoon van Samira is vier jaar geworden. Vandaag gaat hij voor het eerst naar school. Hij heeft een kleine rugzak met een beker en een boterham. Samira staat bij de deur van de school en zwaait. Ze vindt het goed en leuk dat haar zoon nu naar school gaat en nieuwe dingen leert.

Hoe vindt Samira het dat haar zoon naar school gaat?

A. Ze vindt het heel slecht
B. Ze is boos
C. Ze vindt het goed en leuk
D. Het maakt haar niets uit
Score: 0 van 10