Debra zit op school in een rustige klas. Ze luistert goed naar de docent en schrijft veel in haar schrift. Na de les krijgt ze opdrachten mee naar huis. Debra maakt veel huiswerk, zodat ze alles goed kan leren en later een toets kan halen.
Wat maakt Debra veel voor school?
A. Veel tekeningen
B. Veel huiswerk
C. Veel soep
D. Veel muziek
Op tafel ligt een sinaasappel. Hij is al lang in huis en de schil is bruin en zacht geworden. De sinaasappel is oud. Je moet de sinaasappel niet eten, maar beter weggooien in de prullenbak, anders word je misschien ziek.
Wat moet je doen met de oude sinaasappel?
A. Snel opeten
B. In de kast leggen
C. Niet eten, weggooien
D. Aan de hond geven
Diego houdt van koken. In het weekend staat hij vaak in de keuken. Hij snijdt groente en maakt rijst en soep. Hij kookt graag voor zijn vrienden en voor zijn familie, zodat zij samen gezellig kunnen eten.
Voor wie kookt Diego graag?
A. Voor zijn vrienden en familie
B. Alleen voor zichzelf
C. Voor de buschauffeur
D. Voor de tandarts
Dimitri werkt in een garage aan de rand van de stad. Daar staan veel auto’s met kapotte motoren. Dimitri kijkt onder de motorkap en zoekt het probleem. Hij maakt auto’s weer in orde, zodat de klanten veilig kunnen rijden.
Wat maakt Dimitri in de garage?
A. Telefoons
B. Tassen
C. Fietsen
D. Auto’s
Dunya trekt een mooie jurk aan en doet haar haar goed. Ze gaat vanavond naar een feest. Het feest is van haar vriendin die jarig is. Dunya neemt een cadeau mee en hoopt dat haar vriendin blij is.
Van wie is het feest waar Dunya naartoe gaat?
A. Van haar vriendin
B. Van haar leraar
C. Van de buurman
D. Van de buschauffeur
Dylan zit in een stoel bij de tandarts. De tandarts kijkt in zijn mond met een lamp. Dylan vindt dat spannend en eigenlijk niet leuk, want hij hoort rare geluiden van de apparaten. Hij hoopt dat het snel klaar is.
Hoe vindt Dylan het om bij de tandarts te zijn?
A. Heel leuk en gezellig
B. Niet leuk / spannend
C. Heel saai maar fijn
D. Heel lekker
Edgar en Joko wonen samen in een appartement. Ze vinden koken leuk. In de avond staan ze vaak samen in de keuken. Edgar en Joko koken samen, soms een keer per week, maar meestal vaak of zelfs elke dag, omdat ze graag vers eten.
Hoe vaak koken Edgar en Joko samen volgens de tekst?
A. Nooit
B. Alleen op vakantie
C. Vaak / soms elke dag
D. Eén keer per jaar
’s Avonds zat ik buiten in de tuin. Er vlogen veel muggen. Een mug heeft mij geprikt in mijn arm. Nu krijg ik jeuk en ik wil krabben, maar dat mag ik beter niet doen.
Wat krijg ik nadat een mug mij heeft geprikt?
A. Jeuk
B. Een nieuwe jas
C. Een fiets
D. Een glas melk
Het is zondagmiddag. Ella staat in de keuken en bakt koekjes in de oven. De hele kamer ruikt lekker naar suiker en chocolade. Ze bakt de koekjes voor de kinderen van de buurt, die later komen spelen.
Voor wie bakt Ella de koekjes?
A. Voor de buschauffeur
B. Voor haar tandarts
C. Voor haar hond
D. Voor de kinderen
Emma doet een opleiding voor verzorgende. Ze gaat drie dagen per week naar school en twee dagen stage lopen. Ze vindt de opleiding leuk, omdat ze veel leert over mensen helpen. Ze vindt het ook belangrijk voor haar toekomst, want met deze opleiding kan ze later werk vinden.
Hoe ziet Emma haar opleiding?
A. Saai en nutteloos
B. Leuk en belangrijk
C. Veel te makkelijk en kort
D. Alleen moeilijk en slecht