Emma zit aan haar bureau. Ze luistert naar de docent in een online les. Ze schrijft alles op in haar schrift: woorden, zinnen en voorbeelden. Als de les klaar is, kijkt ze nog een keer naar haar aantekeningen. Daarna gaat ze leren met haar schrift, zodat ze de nieuwe woorden goed onthoudt.
Wat doet Emma nadat ze alles heeft opgeschreven?
A. Ze gaat direct slapen
B. Ze gaat leren
C. Ze gaat sporten
D. Ze gaat naar de markt
Het is bijna tijd voor het avondeten. Emma komt thuis en haar moeder roept dat het eten klaar is. Eerst gaat Emma naar de badkamer. Emma wast haar handen met water en zeep. Daarna gaat ze aan tafel zitten om te eten.
Wat gaat Emma doen nadat ze haar handen heeft gewassen?
A. Naar school gaan
B. Tv kijken in bed
C. De auto wassen
D. Eten
Ben komt ’s avonds thuis en ziet dat zijn deur openstaat. Binnen liggen kasten open en spullen op de grond. Er is ingebroken bij Ben. Hij pakt zijn telefoon en belt naar de politie om te zeggen wat er is gebeurd.
Wie belt Ben als er bij hem is ingebroken?
A. De politie
B. De bakker
C. De tandarts
D. De kapper
In onze buurt waren eerst lege velden. Nu worden daar nieuwe huizen gebouwd. Er komen mooie tuinen en brede stoepen. Ik vind dat mooi en leuk, omdat de buurt er zo netjes en modern uitziet.
Hoe vind ik het dat er nieuwe huizen in onze buurt komen?
A. Heel slecht
B. Saai en lelijk
C. Mooi en leuk
D. Te druk en gevaarlijk
In onze straat liggen lege blikjes en papier op de grond. Er staat ook een kapotte doos naast de vuilnisbak. Er ligt rommel op straat en dat is vies. Ik vind dat niet leuk en wil dat mensen hun afval in de bak doen.
Hoe is het als er rommel op straat ligt?
A. Heel schoon
B. Vies en niet leuk
C. Gezellig
D. Heel rustig
Esma wil later lerares worden op een basisschool. Ze houdt van kinderen en vindt uitleggen leuk. Om lerares te worden, moet ze eerst veel leren. Daarom gaat Esma studeren aan een opleiding voor leraren.
Wat gaat Esma doen omdat ze lerares wil worden?
A. Werken in een café
B. Met de bus rijden
C. Studeren
D. Een huis verkopen
Esra ligt in bed met koorts en een zere keel. Ze kan vandaag niet naar haar werk en niet naar haar vrienden. Esra is ziek en moet thuis blijven. Ze vindt dat niet leuk en heel vervelend, want ze verveelt zich.
Hoe vindt Esra het dat ze ziek is?
A. Heel leuk
B. Interessant
C. Makkelijk
D. Niet leuk, vervelend
Fanya is op de markt in het centrum. Er zijn veel kramen met brood, kaas en fruit. Ze loopt langs de kramen en kijkt goed rond. Fanya zoekt groente voor het avondeten, zoals tomaten en paprika.
Wat zoekt Fanya op de markt?
A. Groente
B. Computers
C. Auto’s
D. Schoolboeken
Farid is zanger in een band. Vanavond is er een concert in een klein café. Hij oefent thuis zijn liedjes en drinkt wat water. Farid moet vandaag zingen op het podium en voor veel mensen optreden.
Wat moet Farid vandaag doen als zanger?
A. Auto’s repareren
B. Huiswerk maken
C. Zingen / optreden
D. Een huis bouwen
Fausia maakt een korte reis met een boot over de rivier. Bij de steiger stopt de boot en de mensen stappen uit. Fausia stapt uit de boot en zet haar voet op de kant. Daarna loopt ze verder naar huis, waar haar familie op haar wacht.
Waar loopt Fausia naartoe nadat ze uit de boot stapt?
A. Naar de kapper
B. Naar huis
C. Terug in de boot
D. Naar het ziekenhuis