Mevrouw Jansen wacht samen met mevrouw Bol op de bus naar de stad. Er is vandaag markt in de stad. Elke week gaan mevrouw Jansen en mevrouw Bol samen naar de markt. Wat gaan ze vandaag kopen? Niets. Ze gaan naar de markt, omdat het leuk is. Dat doen ze elke woensdag.
Vraag 1: Op welke dag gaat mevrouw Jansen naar de stad?
A. Zaterdag
B. Woensdag
C. Maandag
D. Donderdag
Sara gaat naar de bibliotheek. Ze wil een boek lenen over koken. Bij de balie vraagt ze waar de kookboeken zijn. De medewerker zegt: “Gang 3, bovenste plank.”
Vraag 2: Waar zijn de kookboeken?
A. Gang 1, onderste plank
B. Gang 2, bovenste plank
C. Gang 3, bovenste plank
D. Gang 4, onderste plank
Opa en oma komen op bezoek. Ze zijn al 2 weken niet op bezoek geweest. Dat komt omdat Opa een beetje ziek was. Maar nu is hij weer beter. Opa en oma komen met de auto. Ze wonen ver weg, helemaal in Amsterdam. Opa en oma nemen altijd eten mee. Vandaag hebben ze patat en appelmoes meegenomen. Opa is altijd heel blij bij ons. Hij maakt altijd veel grapjes en dat is erg gezellig. En s'avonds gaan we dan altijd samen televisie kijken.
Vraag 3: Wat nemen opa en oma mee?
A. Patat en appelmoes
B. Patat en mayonaise
C. Patat en ketchup
D. Patat en frietsaus
Milan koopt een treinkaartje. Hij wil naar Rotterdam. De trein vertrekt om 13.40. Milan komt om 13.20 op het station aan.
Vraag 5: Hoe laat vertrekt de trein?
A. 13.20
B. 13.30
C. 13.40
D. 14.40
Amina gaat naar de dokter. Ze heeft keelpijn. De assistent zegt: “Neem plaats in de wachtkamer.” Amina wacht tien minuten.
Vraag 7: Waar moet Amina wachten?
A. In de keuken
B. In de wachtkamer
C. In de trein
D. In de winkel
Noura gaat zaterdag naar haar vriendin. Ze neemt een kleine taart mee. Ze blijven thuis en kijken een film. Om 22.00 gaat Noura weer naar huis.
Vraag 9: Wat neemt Noura mee?
A. Een kleine taart
B. Een jas
C. Een boek
D. Een fiets