Tekst 1 – Woorden
Op de plaat staan: brood, ei, vlees, melk, vis en op de volgende: boter, kaas, zout en peper, rijst, koffie, koffie en suiker, thee.
Vraag 1: Welk product komt uit de zee?
Tekst 2 – Brood
In de tekst staat: Brood wordt gemaakt van meel.
Vraag 2: Waarvan wordt brood gemaakt?
A. Van melk
B. Van meel
C. Van zout
Tekst 3 – Vlees
In de tekst staat: Vlees komt van een koe of een schaap.
Vraag 3: Van welk soort dier komt vlees volgens de tekst?
A. Van een koe of een schaap
B. Van een kip of een vis
C. Van een hond
Tekst 4 – Vet en mager
In de tekst staat: Boter is vet. Vis is mager.
Vraag 4: Wat is mager volgens de tekst?
Tekst 5 – Smaak
In de tekst staat: Suiker is zoet. Haring smaakt zout.
Vraag 5: Wat is zoet volgens de tekst?
A. Suiker
B. Haring
C. Zout
Tekst 6 – Kip
In de tekst staat: Een kip legt een ei.
Vraag 6: Wat legt een kip?
A. Een brood
B. Een ei
C. Een vis
Tekst 7 – Pannenkoeken
In de tekst staat: Van meel, melk, boter en eieren maak je pannenkoeken.
Vraag 7: Welke ingrediënten heb je nodig voor pannenkoeken volgens de tekst?
A. Meel, melk, boter en eieren
B. Rijst en vis
C. Kaas en worst
Tekst 8 – Dranken
Op de plaat staat: thee, koffie, en koffie en suiker.
Vraag 8: Wat doe je meestal in koffie om het zoet te maken volgens de plaat?
Tekst 9 – Rijst
Op de plaat staat het woord rijst bij een kom eten.
Vraag 9: Wat is rijst, drinken of eten?
Tekst 10 – Tegenstellingen
In de tabel staat: vet – mager, veel – weinig, zoet – zout, vol – leeg.
Vraag 10: Wat is de tegenstelling van “vet” in de tabel?