Les 10 – Boodschappen

Les 10 – Boodschappen (10 teksten)
Tekst 1 – Woorden
Op de plaat staan: brood, ei, vlees, melk, vis en op de volgende: boter, kaas, zout en peper, rijst, koffie, koffie en suiker, thee.

Vraag 1: Welk product komt uit de zee?
A. Vis
B. Brood
C. Melk
Tekst 2 – Brood
In de tekst staat: Brood wordt gemaakt van meel.

Vraag 2: Waarvan wordt brood gemaakt?
A. Van melk
B. Van meel
C. Van zout
Tekst 3 – Vlees
In de tekst staat: Vlees komt van een koe of een schaap.

Vraag 3: Van welk soort dier komt vlees volgens de tekst?
A. Van een koe of een schaap
B. Van een kip of een vis
C. Van een hond
Tekst 4 – Vet en mager
In de tekst staat: Boter is vet. Vis is mager.

Vraag 4: Wat is mager volgens de tekst?
A. Boter
B. Vis
C. Suiker
Tekst 5 – Smaak
In de tekst staat: Suiker is zoet. Haring smaakt zout.

Vraag 5: Wat is zoet volgens de tekst?
A. Suiker
B. Haring
C. Zout
Tekst 6 – Kip
In de tekst staat: Een kip legt een ei.

Vraag 6: Wat legt een kip?
A. Een brood
B. Een ei
C. Een vis
Tekst 7 – Pannenkoeken
In de tekst staat: Van meel, melk, boter en eieren maak je pannenkoeken.

Vraag 7: Welke ingrediënten heb je nodig voor pannenkoeken volgens de tekst?
A. Meel, melk, boter en eieren
B. Rijst en vis
C. Kaas en worst
Tekst 8 – Dranken
Op de plaat staat: thee, koffie, en koffie en suiker.

Vraag 8: Wat doe je meestal in koffie om het zoet te maken volgens de plaat?
A. Zout
B. Suiker
C. Meel
Tekst 9 – Rijst
Op de plaat staat het woord rijst bij een kom eten.

Vraag 9: Wat is rijst, drinken of eten?
A. Drinken
B. Eten
C. Zout
Tekst 10 – Tegenstellingen
In de tabel staat: vet – mager, veel – weinig, zoet – zout, vol – leeg.

Vraag 10: Wat is de tegenstelling van “vet” in de tabel?
A. Mager
B. Vol
C. Zoet
Score: 0 van 10