Les 14 – Dieren

Les 14 – Dieren – makkelijke quiz

Een kat kan rennen, springen en klimmen. Hij heeft poten met scherpe nagels.

Hoeveel poten heeft een kat?

A. Twee poten
B. Vier poten
C. Zes poten
D. Acht poten

Op de boerderij zie je kippen en hanen. De haan heeft een grote kam op zijn kop.

Is een haan een man of een vrouw?

A. Een man
B. Een vrouw
C. Allebei
D. Geen van beide

Een hond kan naast je lopen. Een paard is een groot dier waar je op kunt zitten.

Wat is groter, een paard of een hond?

A. Een hond
B. Ze zijn even groot
C. Een paard
D. Geen van beide

Op het land loopt een dier met een dikke vacht. Van die vacht kun je truien maken.

Van welk dier komt wol?

A. Van een koe
B. Van een kip
C. Van een konijn
D. Van een schaap

Elke ochtend liggen er verse eieren in het hok op de boerderij.

Welk dier legt eieren?

A. Een kip
B. Een paard
C. Een hond
D. Een kat

Bij het huis zit een dier dat luid geluid maakt als er iemand komt.

Welk dier blaft?

A. Een kat
B. Een vogel
C. Een hond
D. Een schaap

In de lucht zie je dieren met vleugels. Ze gaan van boom naar boom.

Wat doet een vogel?

A. Hij blaft
B. Hij kan vliegen
C. Hij miauwt
D. Hij zwemt

Een paard is sterk. Het kan een zware kar trekken.

Wat is het tegenovergestelde van sterk?

A. Zwak
B. Dik
C. Groot
D. Mooi

Een schaap is dik met veel wol op zijn lijf.

Wat is het tegenovergestelde van dik?

A. Sterk
B. Man
C. Groot
D. Dun

Een paard is groot. Een konijn is veel kleiner.

Wat is het tegenovergestelde van groot?

A. Dik
B. Mooi
C. Klein
D. Zwak
Score: 0 van 10