Les 16 – Seizoenen en weer

Les – Seizoenen en weer – makkelijke quiz

In maart wordt het langzaam warmer. De bomen krijgen knoppen.

Welk seizoen begint in maart?

A. De zomer
B. Het voorjaar (de lente)
C. Het najaar
D. De winter

In juni zijn de dagen lang en veel mensen gaan naar buiten.

Welk seizoen begint in juni?

A. De zomer
B. Het najaar
C. De winter
D. Het voorjaar

De bladeren worden bruin en vallen van de bomen.

Welk seizoen begint in september?

A. De winter
B. De zomer
C. Het najaar (de herfst)
D. Het voorjaar

In december begint de winter. Mensen dragen dikke jassen.

Is het in de winter warm of koud?

A. Warm
B. Koud
C. Nat
D. Droog

Als het regent, vallen er druppels uit de lucht.

Regen, is dat nat of droog?

A. Nat
B. Droog
C. Warm
D. Koud

In de zomer is het warm. In de winter is het koud.

Wat is kouder, de zomer of de winter?

A. De zomer
B. Het voorjaar
C. Het najaar
D. De winter

In juni is het warm, in juli warmer en in augustus het warmst.

Wat is warmer, de zomer of de winter?

A. De zomer
B. De winter
C. Het najaar
D. Geen verschil

In januari is het vaak koud, in juni juist warm.

Welke maand is kouder, januari of juni?

A. Juni
B. Januari
C. Ze zijn even koud
D. Geen van beide

In de zomer is het warm. In de winter is het …

Wat is het tegenovergestelde van warm?

A. Nat
B. Droog
C. Koud
D. Zomer

Als het niet regent, wordt de straat weer …

Wat is het tegenovergestelde van nat?

A. Winter
B. Warm
C. Voorjaar
D. Droog
Score: 0 van 10