Les 19 – Allerlei

Les 19 – Allerlei – makkelijke quiz

Bij de kassa in de winkel leg je je spullen neer. Daarna betaal je voor wat je koopt.

Wat moet je in de winkel betalen?

A. Geld
B. Melk
C. Lucht
D. Water

Een ons is honderd gram. Een kilo is duizend gram.

Wat is zwaarder, een kilo of een ons?

A. Een ons
B. Ze zijn even zwaar
C. Een kilo
D. Geen van beide

Een ons koekjes is honderd gram. 100 gram is hetzelfde gewicht.

Wat is meer, een ons koekjes of 100 gram?

A. Een ons koekjes
B. Ze zijn evenveel
C. 100 gram is meer
D. Geen van beide

Een vierkant heeft vier gelijke kanten.

Hoeveel hoeken heeft een vierkant?

A. Drie hoeken
B. Twee hoeken
C. Vier hoeken
D. Geen hoeken

Een cirkel is rond. De lijn gaat overal door.

Hoeveel hoeken heeft een cirkel?

A. Vier hoeken
B. Twee hoeken
C. Drie hoeken
D. Geen hoeken

Een kilometer is duizend meter. Een meter is kort, een kilometer is lang.

Hoeveel meter is een kilometer?

A. 100 meter
B. 1000 meter
C. 10 meter
D. 500 meter

Met een kurkentrekker maak je een fles open.

Wat is het tegenovergestelde van open?

A. Kort
B. Meer
C. Dicht
D. Rond

Een meter is kort, een kilometer is lang.

Wat is het tegenovergestelde van kort?

A. Lang
B. Zwaar
C. Weinig
D. Rond

Een kilo is zwaar, een ons is licht.

Wat is het tegenovergestelde van zwaar?

A. Meer
B. Rond
C. Gelijk
D. Licht

Een ons koekjes is weinig, een kilo koekjes is veel.

Wat is het tegenovergestelde van meer / veel?

A. Zwaar
B. Minder / weinig
C. Rond
D. Gelijk
Score: 0 van 10