Les 20 – Gebouwen

Les 20 – Gebouwen – makkelijke quiz

Een huis is meestal laag. Een toren is veel hoger.

Is een toren laag of hoog?

A. Laag
B. Hoog
C. Schuin
D. Kort

Een huis heeft vier muren en een dak.

Hoeveel muren heeft een huis?

A. Twee
B. Drie
C. Vier
D. Tien

Een molenaar woont in een molen. Een molen heeft vier wieken.

Hoeveel wieken heeft een molen?

A. Vier
B. Twee
C. Zes
D. Tien

Bij de boerderij woont een boer. In de molen woont iemand die voor de molen zorgt.

Wie zorgt voor de molen?

A. De boer
B. De leraar
C. De winkelier
D. De molenaar

De dijk houdt het water tegen. Hij ligt hoger dan het land ernaast.

Is een dijk hoog of laag?

A. Hoog
B. Laag
C. Schuin
D. Niet hoog en niet laag

Op een boerderij zijn dieren en een grote schuur.

Wie woont er op een boerderij?

A. Een molenaar
B. Een leraar
C. Een boer
D. Een kassière

Een huis is laag, een toren is …

Wat is het tegenovergestelde van laag?

A. Niet
B. Hoog
C. Schuin
D. Boven

Er wonen veel mensen in een flat.

Wat is het tegenovergestelde van veel?

A. Weinig
B. Groot
C. Duur
D. Boven

In een winkel kun je iets kopen. Op de markt is het niet duur, maar goedkoop.

Wat is het tegenovergestelde van duur?

A. Groot
B. Veel
C. Schuin
D. Goedkoop

De brug is boven het water. De boot vaart onder de brug.

Wat is het tegenovergestelde van boven?

A. Hoog
B. Groot
C. Onder
D. Niet
Score: 0 van 10