Tekst 1 – Cent en euro
In de les staat: 1 euro = 100 cent.
Vraag 1: Hoeveel cent is 1 euro?
A. 10 cent
B. 50 cent
C. 100 cent
Tekst 2 – Schrijven van geld
In het voorbeeld staat: € 1,- = 1 euro.
Vraag 2: Wat betekent € 1,- ?
A. 1 cent
B. 1 euro
C. 10 euro
Tekst 3 – Bedragen
In de rij staan: 30 euro, 40 euro, 50 euro, 60 euro, 70 euro, 80 euro, 90 euro.
Daarna staat: 100 euro is veel.
Vraag 3: Welk bedrag vindt de tekst “veel”?
A. 30 euro
B. 50 euro
C. 100 euro
Tekst 4 – Weinig geld
In de les staat: 10 cent is weinig.
Vraag 4: Wat is weinig?
A. 10 cent
B. 10 euro
C. 100 euro
Tekst 5 – Meer dan
In de tekst staat: 1 euro is meer dan 50 cent.
Vraag 5: Wat is meer?
A. 1 euro
B. 50 cent
C. Ze zijn hetzelfde
Tekst 6 – Minder dan
In de tekst staat: 1 euro is minder dan 10 euro.
Vraag 6: Wat is minder?
A. 1 euro
B. 10 euro
C. Ze zijn gelijk
Tekst 7 – Vergelijken
Vraag uit het boek: Wat is meer: 5 euro of 10 euro?
Vraag 7: Welke is meer?
A. 5 euro
B. 10 euro
C. Ze zijn evenveel
Tekst 8 – Minder bedrag
Vraag uit het boek: Wat is minder: € 29,- of € 15,- ?
Vraag 8: Welk bedrag is minder?
A. € 29,-
B. € 15,-
C. Ze zijn gelijk
Tekst 9 – Meer bedrag
Vraag uit het boek: Wat is meer: 20 euro of 2 euro?
Vraag 9: Welk bedrag is meer?
A. 2 euro
B. 20 euro
C. Ze zijn gelijk
Tekst 10 – Veel en weinig
Bij de tegenstellingen staat: veel – weinig, meer – minder, duur – goedkoop.
Vraag 10: Wat is de tegenstelling van “veel” volgens de lijst?