Les 5 – Familie

Les 5 – Familie (10 teksten)
Tekst 1 – Familie
In het schema staat bovenaan: o-pa + o-ma.

Vraag 1: Hoe noem je de ouders van je vader of moeder?
A. Opa en oma
B. Vader en moeder
C. Kinderen
Tekst 2 – Ouders
In het schema staat in het midden: va-der + moe-der.

Vraag 2: Wie zijn de ouders van het kind?
A. Vader en moeder
B. Opa en oma
C. Broer en zus
Tekst 3 – Kinderen
Onderaan staat: kind – zoon / doch-ter.

Vraag 3: Hoe heet een kind dat een meisje is?
A. Zoon
B. Dochter
C. Opa
Tekst 4 – Man of vrouw
Bij de plaatjes staat: man, vrouw, jongen, meisje.

Vraag 4: Wat is de vrouwelijke vorm van “man” in de tabel?
A. Meisje
B. Vrouw
C. Broer
Tekst 5 – Broer en zus
Onder de plaatjes staat: De jongen en het meisje: broer en zus.

Vraag 5: Hoe heten de jongen en het meisje samen?
A. Vader en moeder
B. Broer en zus
C. Opa en oma
Tekst 6 – Ik ben …
In de tekst staat: Ik ben een meisje. Ik ben geen jongen.

Vraag 6: Wat is zij volgens de tekst?
A. Een jongen
B. Een meisje
C. Een opa
Tekst 7 – Namen van ouders
In de tekst staat: Mijn vader heet Karel. Mijn moeder heet Jannie.

Vraag 7: Hoe heet de moeder in de tekst?
A. Karel
B. Jannie
C. Kees
Tekst 8 – Leeftijd
In de tekst staat: Ik ben 70 jaar. Ik ben oud.
En: Ik ben 20 jaar. Ik ben jong.

Vraag 8: Wie is oud volgens de tekst?
A. De persoon van 20 jaar
B. De persoon van 70 jaar
C. Beide zijn jong
Tekst 9 – Tegenstelling
In de tabel staat: opa – oma, vader – moeder, zoon – dochter.

Vraag 9: Wat is de vrouwelijke vorm (tegenstelling) van “opa”?
A. Oma
B. Dochter
C. Zus
Tekst 10 – Vraag uit het boek
In de vragen staat: Is je moeder een man of een vrouw?

Vraag 10: Wat is je moeder?
A. Een man
B. Een vrouw
C. Een jongen
Score: 0 van 10