Les 6 – Lichaam

Les 6 – Lichaam en mens (10 teksten)
Tekst 1 – Oren
In de tekst staat: Een mens heeft twee oren, met die oren kun je horen.

Vraag 1: Wat doe je met je oren?
A. Kijken
B. Horen
C. Lopen
Tekst 2 – Ogen
In de tekst staat: Een mens heeft twee ogen, met die ogen kun je kijken.

Vraag 2: Wat doe je met je ogen?
A. Kijken
B. Ruiken
C. Praten
Tekst 3 – Benen
In de tekst staat: Een mens heeft twee benen, met die benen kun je lopen.

Vraag 3: Wat doe je met je benen?
A. Lopen
B. Horen
C. Zien
Tekst 4 – Neus
In de tekst staat: Een mens heeft een neus, met die neus kun je ruiken.

Vraag 4: Wat doe je met je neus?
A. Ruiken
B. Lopen
C. Kijken
Tekst 5 – Mond
In de tekst staat: Een mens heeft een mond, met die mond kun je praten.

Vraag 5: Wat doe je met je mond volgens de tekst?
A. Luisteren
B. Praten
C. Lopen
Tekst 6 – Niet kunnen horen
In de tekst staat: Een mens die niet kan horen, is doof.

Vraag 6: Hoe noem je iemand die niet kan horen?
A. Blind
B. Doof
C. Lang
Tekst 7 – Niet kunnen zien
In de tekst staat: Een mens die niet kan zien, is blind.

Vraag 7: Hoe noem je iemand die niet kan zien?
A. Blind
B. Doof
C. Dik
Tekst 8 – Houding
Bij de eerste afbeelding staat: De man staat.
Bij de tweede afbeelding staat: De man zit.

Vraag 8: Wat doet de man in de tweede afbeelding?
A. Hij staat
B. Hij zit
C. Hij loopt
Tekst 9 – Lichaam
Op de plaat staan woorden: hoofd, rug, arm, been, hand, buik, voet.

Vraag 9: Welk woord hoort bij je been onderaan je lichaam?
A. Voet
B. Haar
C. Tand
Tekst 10 – Tegenstelling
In de tabel met tegenstellingen staat: staan – zitten, lopen – stilstaan, lang – kort, dik – dun.

Vraag 10: Wat is de tegenstelling van “staan”?
A. Zitten
B. Lopen
C. Dik
Score: 0 van 10