Tekst 1 – Meubels
Op de plaat staan: bank, stoel, tafel, raam, kast, deur.
Vraag 1: Op welk meubel kun je zitten?
A. Op een stoel
B. Op een kast
C. Op een deur
Tekst 2 – Stoel
In de tekst staat: De stoel staat in de kamer. Op een stoel kun je zitten.
Vraag 2: Waar staat de stoel?
A. In de kamer
B. In de tuin
C. In de winkel
Tekst 3 – Tafel
In de tekst staat: De tafel heeft vier poten.
Vraag 3: Hoeveel poten heeft de tafel?
Tekst 4 – Gordijn
In de tekst staat: Een gordijn doe je dicht of open.
Vraag 4: Wat kun je met een gordijn doen?
A. Dicht of open doen
B. Aan of uit doen
C. Slapen
Tekst 5 – Lamp
In de tekst staat: De lamp is aan of uit.
Vraag 5: Wat is de tegenstelling van “aan” bij de lamp?
Tekst 6 – Raam
In de tekst staat: Het raam is van glas.
Vraag 6: Van welk materiaal is het raam?
A. Van hout
B. Van glas
C. Van steen
Tekst 7 – Slapen en wassen
In de tekst staat: In een bed kun je slapen.
Bij de wastafel kun je wassen.
Met een handdoek kun je afdrogen.
Vraag 7: Wat doe je met een handdoek?
A. Slapen
B. Afdrogen
C. Koken
Tekst 8 – Kraan
In de tekst staat: Uit een kraan komt warm of koud water.
Vraag 8: Wat komt er uit de kraan?
Tekst 9 – Bed
Op de plaat staat het woord bed, en in de tekst: In een bed kun je slapen.
Vraag 9: Waar slaap je volgens de tekst?
A. In een kast
B. In een bed
C. In een bad
Tekst 10 – Tegenstellingen
In de tabel staat: aan – uit, op – in, staan – zitten, dicht – open, nat – droog, warm – koud.
Vraag 10: Wat is de tegenstelling van “warm” in de tabel?