Les 9 – Keuken (10 teksten)
Tekst 1 – Lepel
In de tekst staat: Met een lepel kun je eten.

Vraag 1: Wat doe je met een lepel?
A. Drinken
B. Eten
C. Snijden
Tekst 2 – Kopje en glas
In de tekst staat: Uit een kopje kun je drinken. Uit een glas kun je drinken.

Vraag 2: Wat kun je doen uit een kopje en uit een glas?
A. Koken
B. Drinken
C. Bakken
Tekst 3 – Pan
In de tekst staat: In een pan kun je koken.
Op de plaat staat het woord pan en dek-sel.

Vraag 3: Wat doe je in een pan?
A. Koken
B. Slapen
C. Schrijven
Tekst 4 – Oven
In de tekst staat: In een oven kun je bakken.

Vraag 4: Wat doe je in een oven?
A. Bakken
B. Drinken
C. Afdrogen
Tekst 5 – Deksel
In de tekst staat: Bij de pan is een deksel.
En: De pan zit onder het deksel.

Vraag 5: Waar zit de pan volgens de tekst?
A. Boven het deksel
B. Onder het deksel
C. Naast het deksel
Tekst 6 – Mes
In de tekst staat: Met een mes kun je snijden.

Vraag 6: Wat doe je met een mes?
A. Roeren
B. Snijden
C. Drinken
Tekst 7 – Theepot
In de tekst staat: In een theepot maak je thee.

Vraag 7: Wat maak je in een theepot?
A. Soep
B. Thee
C. Koffie
Tekst 8 – Fles
In de tekst staat: Een fles is van glas.
Een fles is van plastic.

Vraag 8: Van welk materiaal kan een fles zijn volgens de tekst?
A. Glas of plastic
B. Hout
C. Steen
Tekst 9 – Beker
Op de plaat staat het woord beker en kop en schotel.
Uit een kopje kun je drinken, dus ook uit een beker.

Vraag 9: Wat doe je met een beker?
A. Drinken
B. Snijden
C. Bakken
Tekst 10 – Tegenstellingen
In de tabel staat: eten – drinken, in – uit, op – onder.

Vraag 10: Wat is de tegenstelling van “op” in de tabel?
A. Onder
B. In
C. Eten
Score: 0 van 10