1 – Ik en school
... ga elke dag naar school. ___ leer daar Nederlands.
2 – Jij en koffie
... drinkt elke ochtend koffie. ___ vindt koffie lekker.
3 – Hassan werkt
Hassan is monteur. ... werkt in een garage.
4 – Fatima kookt
Fatima maakt soep. ... staat in de keuken.
5 – Wij in de klas
Maria en ik zijn cursisten. ... zitten in dezelfde klas.
6 – Jullie en huiswerk
Jeroen en Sam, ... maken het huiswerk samen.
7 – Zij zijn buren
Ahmed en Noor wonen naast elkaar. ... zijn buren.
8 – U bij de dokter
Meneer Janssen, ... heeft om tien uur een afspraak bij de dokter.
9 – Het regent
Buiten komen donkere wolken. ... regent heel hard.
10 – Jullie in de les
De docent zegt: “... luisteren goed en maken weinig fouten.”