Persoonlijke voornaamwoorden 1

Persoonlijke voornaamwoorden – 10 vragen
1 – Ik en school
... ga elke dag naar school. ___ leer daar Nederlands.
A. Ik
B. Jij
C. Zij
2 – Jij en koffie
... drinkt elke ochtend koffie. ___ vindt koffie lekker.
A. Jij
B. Wij
C. Hij
3 – Hassan werkt
Hassan is monteur. ... werkt in een garage.
A. Hij
B. Zij
C. Jullie
4 – Fatima kookt
Fatima maakt soep. ... staat in de keuken.
A. Zij
B. Hij
C. Ik
5 – Wij in de klas
Maria en ik zijn cursisten. ... zitten in dezelfde klas.
A. Wij
B. Zij
C. Hij
6 – Jullie en huiswerk
Jeroen en Sam, ... maken het huiswerk samen.
A. Jullie
B. Ik
C. Hij
7 – Zij zijn buren
Ahmed en Noor wonen naast elkaar. ... zijn buren.
A. Zij
B. Wij
C. Jij
8 – U bij de dokter
Meneer Janssen, ... heeft om tien uur een afspraak bij de dokter.
A. U
B. Hij
C. Jullie
9 – Het regent
Buiten komen donkere wolken. ... regent heel hard.
A. Het
B. Hij
C. Wij
10 – Jullie in de les
De docent zegt: “... luisteren goed en maken weinig fouten.”
A. Jullie
B. Ik
C. Hij
Score: 0 van 10