Tekst 02

NT2-les3-4-korte-teksten-quiz

Amir heeft 5 euro in zijn portemonnee. Zijn vriend heeft 20 euro. Amir zegt: "Ik heb weinig geld."

Wie heeft meer geld?

A. Amir
B. Zijn vriend
C. Ze hebben evenveel
D. Niemand

In de winkel kost een brood 1 euro. Op het bord staat ook: 100 cent. 1 euro is hetzelfde als 100 cent.

Hoeveel cent is 1 euro?

A. 10 cent
B. 50 cent
C. 100 cent
D. 1000 cent

Een jas kost 80 euro. Een T-shirt kost 20 euro. De jas is duurder dan het T-shirt.

Wat is goedkoper?

A. De jas
B. Het T-shirt
C. Ze kosten hetzelfde
D. Geen van beide

Op de tafel liggen munten: 10 cent, 50 cent en 2 euro. 10 cent is het kleinste bedrag.

Welke munt is het minst waard?

A. 10 cent
B. 50 cent
C. 1 euro
D. 2 euro

Lisa spaart geld. Ze heeft nu 100 euro op de bank. Ze zegt: "Dat is veel geld voor mij."

Hoeveel euro heeft Lisa?

A. 10 euro
B. 20 euro
C. 50 euro
D. 100 euro

Ik sta in de klas. Ik zeg: "Ik heet Kees. Mijn naam is Kees." De docent schrijft mijn naam op het bord.

Hoe heet de man in de tekst?

A. Kees
B. Jan
C. Ali
D. Ahmed

Ik woon in Nederland. Nederland ligt in Europa. Ten zuiden van Nederland ligt België.

In welk werelddeel ligt Nederland?

A. Afrika
B. Azië
C. Europa
D. Amerika

Nederland is een klein land. China is een groot land. Marokko is ook een groot land.

Welk land is klein in de tekst?

A. Nederland
B. China
C. Marokko
D. Turkije

Sara woont in Utrecht. Haar vriendin woont in Rotterdam. Beiden wonen in Nederland.

In welk land wonen Sara en haar vriendin?

A. België
B. Nederland
C. Duitsland
D. Frankrijk

Yousef woont nu in Marokko. Volgend jaar gaat hij naar Nederland. Hij leert nu al Nederlands.

Wanneer gaat Yousef naar Nederland?

A. Gisteren
B. Deze week
C. Volgend jaar
D. Nooit
Score: 0 van 10