NT2-les5-6-korte-teksten-quiz

Tom heeft een grote familie. De vader van zijn vader heet Piet. Piet is de opa van Tom.

Wie is Piet voor Tom?

A. Vader
B. Opa
C. Broer
D. Zoon

Lisa zegt: "Ik ben een meisje. Ik ben geen jongen." Haar broer is een jongen.

Wat is Lisa?

A. Een jongen
B. Een vader
C. Een meisje
D. Een opa

Sam woont met zijn vader en zijn moeder. Samen heten zij de ouders van Sam.

Hoe noem je vader en moeder samen?

A. Kinderen
B. Opa en oma
C. Broer en zus
D. Ouders

In een huis wonen een jongen en een meisje. Ze hebben dezelfde vader en moeder. Ze zijn broer en zus.

Wat zijn de jongen en het meisje voor elkaar?

A. Broer en zus
B. Opa en oma
C. Vader en dochter
D. Man en vrouw

Oma is 70 jaar. Haar kleindochter is 10 jaar. Oma is oud. Het kind is jong.

Wie is jong?

A. Oma
B. Opa
C. De kleindochter
D. Niemand

Een mens heeft twee benen. Met de benen kun je lopen. De man loopt naar de bus.

Wat gebruik je om te lopen?

A. Je handen
B. Je benen
C. Je oren
D. Je neus

Een mens heeft twee oren. Met de oren kun je horen. Iemand die niet kan horen, is doof.

Waarmee kun je horen?

A. Met je oren
B. Met je ogen
C. Met je mond
D. Met je handen

Een mens heeft twee ogen. Met de ogen kun je kijken. Je kijkt naar de televisie.

Wat gebruik je om te kijken?

A. Je voeten
B. Je oren
C. Je ogen
D. Je neus

Een mens heeft een mond. Met de mond kun je praten. De docent praat tegen de klas.

Waarmee praat je?

A. Met je neus
B. Met je hand
C. Met je oor
D. Met je mond

Een man is een mens. Een vrouw is ook een mens. Een kind is ook een mens.

Wat zijn man, vrouw en kind samen?

A. Dieren
B. Mensen
C. Steden
D. Lichamen
Score: 0 van 10