Lisa zegt: "Ik ben een meisje. Ik ben geen jongen." Haar broer is een jongen.
Wat is Lisa?
Tom heeft een grote familie. De vader van zijn vader heet Piet. Piet is de opa van Tom.
Wie is Piet voor Tom?
Lisa zegt: "Ik ben een meisje. Ik ben geen jongen." Haar broer is een jongen.
Wat is Lisa?
Sam woont met zijn vader en zijn moeder. Samen heten zij de ouders van Sam.
Hoe noem je vader en moeder samen?
In een huis wonen een jongen en een meisje. Ze hebben dezelfde vader en moeder. Ze zijn broer en zus.
Wat zijn de jongen en het meisje voor elkaar?
Oma is 70 jaar. Haar kleindochter is 10 jaar. Oma is oud. Het kind is jong.
Wie is jong?
Een mens heeft twee benen. Met de benen kun je lopen. De man loopt naar de bus.
Wat gebruik je om te lopen?
Een mens heeft twee oren. Met de oren kun je horen. Iemand die niet kan horen, is doof.
Waarmee kun je horen?
Een mens heeft twee ogen. Met de ogen kun je kijken. Je kijkt naar de televisie.
Wat gebruik je om te kijken?
Een mens heeft een mond. Met de mond kun je praten. De docent praat tegen de klas.
Waarmee praat je?
Een man is een mens. Een vrouw is ook een mens. Een kind is ook een mens.
Wat zijn man, vrouw en kind samen?