Fatima draagt een rok. Haar vriendin draagt een broek. De moeder draagt een jurk.
Wat draagt Fatima?
Ik doe mijn jas aan. Ik doe mijn schoenen uit. De jas is voor buiten.
Wat doe ik aan?
Fatima draagt een rok. Haar vriendin draagt een broek. De moeder draagt een jurk.
Wat draagt Fatima?
Een jurk is lang. Een rok is kort. Sarah wil vandaag een kort kledingstuk.
Wat draagt Sarah als ze iets korts wil?
Het is koud buiten. Ik doe mijn jas aan en mijn sjaal om mijn nek.
Waar doe je een sjaal om?
De koffer is zwaar. De tas is licht. Ik draag liever de tas.
Welk voorwerp is zwaar?
In de kamer staat een bank en een stoel. Op de bank kunnen drie mensen zitten. Op de stoel kan één mens zitten.
Waar kunnen drie mensen zitten?
De tafel staat in de kamer. De tafel heeft vier poten. Op de tafel ligt een boek.
Hoeveel poten heeft de tafel?
Het raam is van glas. Door het raam kun je naar buiten kijken.
Waarvan is het raam?
In een bed kun je slapen. In de kamer staat ook een kast en een stoel.
Waar slaap je volgens de tekst?
In de badkamer hangt een kraan. Uit de kraan komt warm of koud water.
Wat komt er uit de kraan?