Tekst 04

NT2-les7-8-korte-teksten-quiz

Ik doe mijn jas aan. Ik doe mijn schoenen uit. De jas is voor buiten.

Wat doe ik aan?

A. Mijn jas
B. Mijn schoenen
C. Mijn sokken
D. Mijn muts

Fatima draagt een rok. Haar vriendin draagt een broek. De moeder draagt een jurk.

Wat draagt Fatima?

A. Een broek
B. Een jas
C. Een rok
D. Een T‑shirt

Een jurk is lang. Een rok is kort. Sarah wil vandaag een kort kledingstuk.

Wat draagt Sarah als ze iets korts wil?

A. Een jas
B. Een broek
C. Een jurk
D. Een rok

Het is koud buiten. Ik doe mijn jas aan en mijn sjaal om mijn nek.

Waar doe je een sjaal om?

A. Om je voet
B. Om je nek
C. Om je hand
D. Om je oor

De koffer is zwaar. De tas is licht. Ik draag liever de tas.

Welk voorwerp is zwaar?

A. De tas
B. De jas
C. De koffer
D. De sok

In de kamer staat een bank en een stoel. Op de bank kunnen drie mensen zitten. Op de stoel kan één mens zitten.

Waar kunnen drie mensen zitten?

A. Op de bank
B. Op de stoel
C. Op de tafel
D. Op de kast

De tafel staat in de kamer. De tafel heeft vier poten. Op de tafel ligt een boek.

Hoeveel poten heeft de tafel?

A. Twee
B. Drie
C. Vier
D. Vijf

Het raam is van glas. Door het raam kun je naar buiten kijken.

Waarvan is het raam?

A. Hout
B. Glas
C. Steen
D. Papier

In een bed kun je slapen. In de kamer staat ook een kast en een stoel.

Waar slaap je volgens de tekst?

A. In een bed
B. In een kast
C. Op de tafel
D. Voor de deur

In de badkamer hangt een kraan. Uit de kraan komt warm of koud water.

Wat komt er uit de kraan?

A. Lucht
B. Melk
C. Licht
D. Water
Score: 0 van 10