Omar komt na zijn werk thuis. Hij kijkt elke dag tv na het eten.
Vraag 1: Hoe vaak kijkt Omar tv?
A. Nooit.
B. Soms.
C. Elke dag.
Tekst 2 – Radio luisteren
Sara luistert graag naar muziek in de auto. Zij luistert één keer per dag naar de radio.
Vraag 2: Hoe vaak luistert Sara naar de radio?
A. Eén keer per dag.
B. Eén keer per week.
C. Nooit.
Tekst 3 – Familie
Ali heeft een grote familie. Hij heeft twee broers en één zus.
Vraag 3: Hoeveel broers en zussen heeft Ali?
A. Twee broers en één zus.
B. Eén broer en twee zussen.
C. Geen broers en geen zussen.
Tekst 4 – Werkweek
Ahmed werkt in een fabriek. Hij werkt vijf dagen in de week.
Vraag 4: Hoeveel dagen in de week werkt Ahmed?
A. Vier dagen.
B. Vijf dagen.
C. Zes dagen.
Tekst 5 – Schooltijd
Fatima is 25 jaar. Zij heeft twaalf jaar school gehad.
Vraag 5: Hoeveel jaar school heeft Fatima gehad?
A. Acht jaar.
B. Tien jaar.
C. Twaalf jaar.
Tekst 6 – Kinderen
Samir is getrouwd. Hij heeft twee kinderen, een zoon en een dochter.
Vraag 6: Hoeveel kinderen heeft Samir?
A. Eén kind.
B. Twee kinderen.
C. Drie kinderen.
Tekst 7 – Talen
Mouna spreekt Arabisch, Frans en een beetje Nederlands. Zij spreekt dus drie talen.
Vraag 7: Hoeveel talen spreekt Mouna?
A. Twee talen.
B. Drie talen.
C. Vier talen.
Tekst 8 – Wonen in Nederland
Hassan gaat naar Nederland. In Nederland gaat hij wonen in een kleine flat in Utrecht.
Vraag 8: In wat voor huis gaat Hassan in Nederland wonen?
A. In een flat.
B. In een groot huis met tuin.
C. In een hotel.
Tekst 9 – Geboorteland
Youssef woont nu in Nederland, maar hij is geboren in Marokko.
Vraag 9: In welk land is Youssef geboren?
A. In Nederland.
B. In Marokko.
C. In België.
Tekst 10 – Nieuwe stad
Amina krijgt een huis in Nederland. Zij gaat wonen in de stad Den Haag.
Vraag 10: In welke plaats gaat Amina wonen in Nederland?
A. In Rotterdam.
B. In Den Haag.
C. In Utrecht.