Tekst 1 – Verhuizen
Omar woont nu nog in Marokko. Hij wil in de zomer naar Nederland gaan.
Vraag 1: Wanneer wil Omar naar Nederland gaan?
A. In de winter.
B. In de zomer.
C. In november.
Tekst 2 – Tijd met familie
In het weekend gaat Sara naar haar familie. Ze eet graag samen met haar familie.
Vraag 2: Wat doet Sara graag met haar familie?
A. Ze speelt voetbal.
B. Ze eet graag samen.
C. Ze gaat werken.
Tekst 3 – Tijd met vrienden
Ahmed ziet zijn vrienden op zaterdagavond. Met zijn vrienden gaat hij graag sporten in het park.
Vraag 3: Wat doet Ahmed graag met zijn vrienden?
A. Sporten in het park.
B. Alleen tv kijken.
C. Werken in de winkel.
Tekst 4 – Weekend
Youssef werkt niet in het weekend. Op zaterdag doet hij boodschappen. Op zondag rust hij uit.
Vraag 4: Wat doet Youssef in het weekend?
A. Hij werkt alle dagen.
B. Hij doet boodschappen en rust uit.
C. Hij gaat naar school.
Tekst 5 – Vrije tijd
In mijn vrije tijd lees ik boeken. Soms luister ik ook naar muziek.
Vraag 5: Wat doet hij in zijn vrije tijd?
A. Hij leest boeken.
B. Hij werkt in de fabriek.
C. Hij reist elke dag.
Tekst 6 – Feestdag
Op een feestdag ga ik naar mijn familie. We drinken thee en eten samen.
Vraag 6: Wat doet hij op een feestdag?
A. Hij gaat naar zijn familie en eet samen.
B. Hij gaat werken.
C. Hij gaat alleen sporten.
Tekst 7 – Drank
Fatima drinkt elke ochtend thee. Soms drinkt ze ook koffie, maar ze drinkt het liefst thee.
Vraag 7: Wat drinkt Fatima graag?
A. Cola.
B. Water.
C. Thee.
Tekst 8 – Avondeten
’s Avonds eet Hassan meestal rijst met kip. Soms eet hij ook soep.
Vraag 8: Wat eet Hassan meestal ’s avonds?
A. Rijst met kip.
B. Alleen brood.
C. Alleen salade.
Tekst 9 – Ontbijt
Ik eet ’s ochtends brood met kaas. Soms eet ik ook een ei.
Vraag 9: Wat eet hij ’s ochtends?
A. Rijst.
B. Brood met kaas.
C. Pizza.
Tekst 10 – Plannen voor morgen
Vandaag is het zondag. Morgen ga ik werken in de winkel.
Vraag 10: Wat gaat hij morgen doen?
A. Hij gaat op vakantie.
B. Hij gaat werken in de winkel.
C. Hij gaat slapen.