Tekst 1 – Mooie kleren
Omar werkt op kantoor. Hij vindt nette kleren mooi, zoals een overhemd en een nette broek.
Vraag 1: Wat voor kleren vindt Omar mooi?
A. Sportkleren.
B. Nette kleren.
C. Werkkleren met verf.
Tekst 2 – Toekomstig werk
Sara zoekt werk in Nederland. Ze wil graag in een winkel werken.
Vraag 2: Wat voor werk wil Sara doen?
A. Werk in een winkel.
B. Werk als buschauffeur.
C. Werk als dokter.
Tekst 3 – Leren in Nederland
Ahmed woont sinds kort in Nederland. Hij wil hier graag goed Nederlands leren.
Vraag 3: Wat wil Ahmed graag leren in Nederland?
A. Autorijden.
B. Nederlands.
C. Koken.
Tekst 4 – Vandaag
Laila kijkt op haar agenda. Vandaag is het maandag.
Vraag 4: Welke dag is het vandaag?
A. Maandag.
B. Woensdag.
C. Zondag.
Tekst 5 – Huisdieren
Youssef houdt van dieren. Hij vindt vooral katten leuk.
Vraag 5: Welke dieren vindt Youssef leuk?
A. Katten.
B. Slangen.
C. Tijgers.
Tekst 6 – Kleuren
Fatima koopt een nieuwe jas. Ze neemt een blauwe jas, want ze vindt de kleur blauw mooi.
Vraag 6: Welke kleur vindt Fatima mooi?
A. Rood.
B. Blauw.
C. Geel.
Tekst 7 – Maand
Het is koud en het nieuwe jaar is net begonnen. Het is nu januari.
Vraag 7: Welke maand is het nu?
A. Januari.
B. Juli.
C. November.
Tekst 8 – Talen
Samir komt uit Marokko. Hij spreekt Arabisch en Frans en een beetje Nederlands.
Vraag 8: Welke talen spreekt Samir?
A. Arabisch, Frans en een beetje Nederlands.
B. Alleen Nederlands.
C. Engels en Duits.
Tekst 9 – Hulp met taal
Mouna gaat twee keer per week naar de taalles. Haar leraar helpt haar met Nederlands leren.
Vraag 9: Wie helpt Mouna met Nederlands leren?
A. Haar buurman.
B. Haar leraar.
C. Haar kinderen.
Tekst 10 – Thuis
Ik woon in een flat. Bij mij in huis wonen mijn partner en mijn twee kinderen.
Vraag 10: Wie wonen bij hem in huis?
A. Alleen vrienden.
B. Zijn partner en twee kinderen.
C. Zijn ouders.