Werkwoord ZIJN 1

Werkwoord ZIJN – 10 vragen
1 – Ik en mijn cursus
... ___ cursist. Ik leer Nederlands.
A. ben
B. bent
C. zijn
2 – Jij en de klas
Jij ___ nieuw in de klas.
A. bent
B. ben
C. is
3 – Hij in de supermarkt
Hassan ___ vakkenvuller in de supermarkt.
A. is
B. ben
C. zijn
4 – Zij is ziek
Fatima ___ vandaag ziek. Ze blijft thuis.
A. is
B. bent
C. zijn
5 – Wij in de pauze
Wij ___ nu in de pauze. We drinken koffie.
A. zijn
B. ben
C. is
6 – Jullie en het huiswerk
Jullie ___ klaar met het huiswerk.
A. zijn
B. bent
C. is
7 – Zij in de winkel
Ahmed en Noor ___ samen in de winkel.
A. zijn
B. is
C. bent
8 – U bij de balie
Meneer, u ___ aan de beurt bij de balie.
A. bent
B. ben
C. is
9 – Het is koud
Het ___ buiten heel koud vandaag.
A. is
B. ben
C. zijn
10 – Ik thuis
Vanavond ___ ik thuis. Ik kijk televisie.
A. ben
B. bent
C. zijn
Score: 0 van 10